Stichting Restore Justice

                                 
                                   Een initiatief tot herstel van vertrouwen in de rechtsstaat

NIEUWS



Aanbieden Petitie "Gerechtigheid in de zaak Baybasin" 9 oktober 2018

Op 9 oktober j.l. waren bestuursleden van onze stichting, vergezeld door Ton Derksen, Erno Eskens en enkele andere belangstellenden op bezoek in de Tweede Kamer om de petitie "gerechtigheid in de zaak Huseyin Baybasin" aan te bieden aan de Vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid. Behalve de Vice-Voorzitter van de commissie werden wij gehoord door onder meer vertegenwoordigers van VVD, CDA, PvdA, CU, SP.
De petitie is door ruim 850 personen ondertekend. We kunnen zien dat er een 20-tal fake ondertekeningen tussen zitten. Die zijn goed te onderkennen.
Ongeveer 230 handtekeningen zijn afkomstig van niet-Nederlanders, ze worden wel gezien, maar niet "gewogen". Al met al hebben dus zo'n 600 Nederlanders laten weten dat ze gerechtigheid in deze zaak belangrijk vinden en aandacht willen voor de 21 punten/vragen, in de tekst verder op deze pagina. Daarvoor uiteraard onze hartelijke dank.
De petitie werd uitgeprint en van de handtekeningen voorzien in meervoud uitgedeeld aan de aanwezige kamerleden en van een toelichting voorzien.
Namens de Stichting voerden de voorzitter Jacques van Huet, Prof Ton Derksen en Erno Eskens (ISW) het woord.





Hieronder treft u de tekst van DE PETITIE, die werd aangeboden op 9 oktober a.s.



PETITIE INZAKE “BAYBAŞIN’ EN CONCEPT KAMERVRAGEN


Datum: 31maart 2018 gesteld door STICHTING RESTORE JUSTICE

DE ZAAK HÜSEYIN BAYBASIN

Baybasin is een Koerdisch zakenman. In 1992 is hij Turkije ontvlucht. Sinds 1994 woonde hij met zijn gezin in Engeland. Hij zette zich actief in voor de Koerdische zaak en is één van de sponsors en oprichters van het in Den Haag opgerichte Koerdische parlement in ballingschap.

Zijn gedetailleerde kennis over de betrokkenheid van de Turkse staat, destijds als agent opgedaan, bij de indertijd internationale drugshandel etaleerde Baybasin in de periode vóór zijn arrestatie uitvoerig in diverse buitenlandse media. Dit alles werd hem niet in dank afgenomen door de toenmalige Turkse autoriteiten. Zijn naam stond hoog genoteerd op de lijst van door de Turken gezochte personen. Eind 1995 werd Baybasin in Nederland ter fine van uitlevering aan Turkije gearresteerd. De rechter verbood eind 1997 zijn uitzetting wegens dreigende schending van mensenrechten: aannemelijk werd geacht dat Baybasin bij uitlevering in Turkije zou worden gemarteld of gedood. Nadat duidelijk werd dat Baybasin niet kon worden uitgeleverd, werd hem niet toegestaan uit te reizen naar zijn familie in Engeland. Hij verbleef gedwongen in Nederland.

In maart 1998 werd Baybasin opnieuw gearresteerd door de Nederlandse autoriteiten en op grond van afgeluisterde telefoongesprekken tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

Baybasin heeft altijd ontkend zich aan enig strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt. Op de door Baybasin in 2011 aangevraagde herziening van het strafrechtelijk vonnis van levenslang is nog steeds niet beslist.

In aanmerking nemende dat:

  • De Koerdische zakenman Hüseyin Baybaşin reeds twintig jaar in Nederland is gedetineerd;
  • Nederland het enige land in Europa is dat daadwerkelijk levenslang kent, dit volgens het Europese Hof strijdig is met de mensenrechten, en dat de ‘reparatietoezegging’ onvoldoende controleerbare en toetsbare garanties biedt;
  • En de doorlooptijden voor herzieningszaken onverantwoord lang zijn en er bovendien geen herziening kan plaats vinden als er geen nieuwe feiten bekend zijn in het geval van onschuld;

AANHOUDING

Vraag 1:

Hüseyin Baybaşin werd op 24-12-1995 aan de Belgische grens bij Hazeldonk door de Koninklijke Marechaussee opgewacht en gearresteerd ter uitlevering aan Turkije. Een internationale Interpol signalering ontbrak. Vlak voor zijn aanhouding reisde Baybasin met medeweten van de Britse autoriteiten probleemloos van Engeland naar Frankrijk en België met een daartoe door Frankrijk verstrekt visum.


Op grond van welke instructies en bevoegdheid is de aanhouding van Hüseyin Baybasin aan de Nederlandse grens op 24-12-1995 tot stand gekomen?


Vraag 2:

Aan de arrestatie lag voor zover nu bekend een bilateraal verzoek van 17 november 1995 van de Turkse autoriteiten aan Nederland ten grondslag, terwijl Baybasin tot hij Nederland binnen reisde op 24 december 1995 geen enkele relatie had met Nederland of met de Nederlandse rechtssfeer. Baybasin woonde in 1995 met zijn gezin in Engeland en ondervond daar bescherming van de Britse overheid. Baybasin had geen plannen Nederland binnen te reizen totdat hem op de dag van zijn aanhouding door een Turkse informant werd gevraagd voor een bespreking vanuit Brussel naar Nederland te reizen.


Op basis van welke bilaterale afspraken tussen Nederland en Turkije is Nederland op 17 november 1995 door Ankara gevraagd de op dat moment in Engeland woonachtige Baybasin ter fine van uitlevering aan Turkije te arresteren? Onder wiens bevoegdheid zijn deze afspraken tot stand gekomen? Was bij het maken van deze afspraken al aan de Nederlandse autoriteiten bekend dat Baybasin binnen afzienbare tijd het Nederlandse grondgebied zou worden binnengelokt?


INTERNATIONAAL RECHT


Vraag 3:

Een memo d.d. 15 juli 1997 met het briefhoofd van het ministerie van justitie vermeldt:

“De zaak Baybasin wordt gebruikt als drukmiddel ‘teneinde in een andere zaak iets van de Turkse autoriteiten gedaan te krijgen’. Op dit moment wordt hierover overleg gevoerd door BuZa. Aangezien dhr. Demmink donderdag op vakantie gaat, zal gepoogd worden om uiterlijk donderdagochtend de besluitvorming af te ronden.”

(Bron: telefoonnotitie Ministerie van Justitie, opgemaakt 15 juli 1997 door B.Gradussen, IND Unit West Brabant)


Waaruit bestond de specifieke bemoeienis van de toenmalige directeur-generaal Internationale aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, mr. Demmink met deze kwestie? Welke contacten onderhield hij hiertoe met de Turkse autoriteiten via welke kanalen? Wat diende Nederland van de Turkse autoriteiten gedaan te krijgen?


Vraag 4:

In 2011 verklaarde de voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Justitie over het uitleveringsverzoek van Turkije:

“Daar heb ik me mee bemoeid met zijn uitwijzing (---) Nederland had dat uitleveringsverzoek toegestaan. Ik heb toen een hele mooie actie opgezet. De President van de Hoge Raad, de Procureur Hoge Raad en ik hebben een gesprek gevoerd. Toen hebben we afgesproken dat direct nadat de Hoge Raad het vonnis had gewezen, Baybasin vanuit Vught na het vonnis op het vliegtuig zou gaan. In het vliegtuig zou Baybasin het bevelschrift van de Minister krijgen en dan zou hij Nederland moeten verlaten.”

(Bron: Proces Verbaal van verhoor Mr. Borghouts, voormalig SG, door de Rijksrecherche inzake onderzoek naar voormalig SG Demmink, 2016)


Hoe moeten deze uitspraken van de voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Justitie worden gezien in het licht van het beginsel van de scheiding der machten, de Trias politica? Welke contacten onderhield de voormalige directeur-generaal Internationale aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, mr. Demmink, hierover met de toenmalige secretaris-generaal van het ministerie van Justitie? En welke contacten werden hierover met Turkije onderhouden, door wie?


Vraag 5:

In 1995 was de democratie en rechtsbescherming in Turkije onvoldoende verankerd. Indien een dergelijke vraag tot coöperatie afkomstig is van de machtshebbers van een ander land, welke actieve procedures volgt Nederland dan om schendingen van het EVRM te voorkomen?


Vraag 6:

Worden buitenlanders, die de Nederlandse taal niet machtig zijn, adequaat gewezen op hun cautie c.q. Miranda rechten? En welke ondersteuning krijgen zij van Nederland om het rechtsproces conform de fair-trial regels van het EVRM te laten verlopen?


Vraag 7:

Nadat Baybasin in december 1996 uit uitleveringsdetentie werd ontslagen, lag er in januari 1997 een zogenaamd ‘Plan van aanpak’ gereed om hem in Nederland strafrechtelijk te gaan vervolgen. Dat is opmerkelijk, omdat Baybasin vóór zijn aanhouding aan de Nederlands-Belgische grens ter uitlevering aan Turkije in december 1995 nooit iets met Nederland van doen had gehad. Voormalig CID-officier van justitie en unit-hoofd Zware Criminaliteit, Jan Koers, die direct voorafgaand aan het Baybasin-onderzoek voor het openbaar ministerie de contacten met Turkije onderhield, schreef hierover: “Omdat de vervolging van Baybasin zo snel na de weigering om hem uit te leveren begon, is er een directe relatie. Alle beschikbare informatie is bij elkaar gebracht en daar is een zaak van gemaakt om de Turken niet teleur te stellen.”


Welke door Baybasin in Nederland gepleegde strafbare feiten stonden in dit Plan van aanpak van januari 1997 beschreven? Welke afspraken met de Turkse autoriteiten lagen hieraan ten grondslag, door wie gemaakt?


Vraag 8:

Bij vrijlating uit uitleveringsdetentie in december 1996 heeft Baybasin de voorwaarde opgelegd gekregen Nederland niet te verlaten. Een terugkeervisum om zijn gezin en familie in Londen te bezoeken werd hem geweigerd in persoonlijke opdracht van de toenmalige directeur-generaal Internationale aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, mr. Demmink, zo is thans gebleken uit een interne telefoonnotitie van 17 februari 1998 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Een faxbericht van 10 juli 1997 vermeldt: “het dossier Baybasin leent zich niet voor afdoening op districtsniveau maar dient te worden voorgelegd en afgedaan door dhr. Demmink.” Volgens de toen betrokken IND-ambtenaren was dit een ongebruikelijke gang van zaken.


Met welke reden is Baybasin indertijd een terugkeervisum geweigerd en wat was de reden van de persoonlijke bemoeienis van de toenmalige directeur-generaal Internationale aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met deze zaak? Waren er afspraken met Turkije om Baybasin in Nederland te arresteren?


Vraag 9:

In de door het Gerechtshof te Arnhem in januari 2014 bevolen strafrechtelijke vervolging van de heer Demmink zijn door Nederland meerdere rechtshulpverzoeken aan Turkije gedaan om daar nader onderzoek te doen en getuigen te horen. Deze verzoeken zijn alle, in strijd met de geldende rechtshulpverdragen, geweigerd, ondanks herhaalde bezoeken en smeekbedes van de Nederlandse rechter-commissaris aan de Turkse autoriteiten.


Welke diplomatieke consequenties zijn hieraan verbonden geweest? Welke maatregelen neemt Nederland om de naleving van de gesloten verdragen te borgen? En welke sanctiemogelijkheden bestaan er bij weigerachtigheid van een lidstaat tot coöperatie?


EERLIJK PROCES

Vraag 10:

De feiten waarvoor Hüseyin Baybaşin in Nederland tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld blijken alle (op één gering feit na) buiten Nederland gepleegd. Welk belang en oogmerk had Nederland bij de opsporing van veronderstelde in het buitenland gepleegde strafbare feiten?


Vraag 11:

Welke jurisdictie heeft Nederland wanneer er door niet-Nederlands ingezetenen op niet-Nederlands grondgebied feiten worden gepleegd die mogelijk strijdig zijn met (niet-) Nederlands recht?


Vraag 12:

In de zaak Hüseyin Baybaşin blijkt gebruik te zijn gemaakt van tolken met meerdere functies. De centrale taptolk in de zaak Baybaşin bleek zowel in dienst bij het opsporingsapparaat, als ook ‘onafhankelijke’ tolkdiensten te verrichten bij het vertalen van de afgeluisterde gesprekken, als ook innige banden te hebben met de Turkse autoriteiten, die zelf aangaven dat deze tolk tevens voor hen werkte.


Welke garanties biedt Nederland op een eerlijk proces voor wat betreft de inschakeling van taptolken en welke maatregelen zijn er indertijd getroffen om belangenverstrengelingen zoals in de zaak Baybaşin te voorkomen?


Vraag 13:

In een brief d.d. 10 maart 1998 van de voorzitter van het College van procureurs-generaal, mr. C.R.L.R.M. Ficq, gericht aan alle hoofdofficieren van justitie, wordt ingegaan op de wijze waarop met de Turkse autoriteiten werd samengewerkt. Hij wijst in deze brief op de tekortkomingen in de mensenrechtensituatie in Turkije. Dit vormt een reden, zo was de mening van de procureur-generaal, om de rechtshulpuitwisseling met Turkije met extra waarborgen te omkleden. Deze waarborgen ontbraken in het verleden, zo schreef hij. De brief vermeldt daarover: “Het is uitdrukkelijk niet gewenst dat de leden van het Openbaar Ministerie, politie of tolken direct contact opnemen met het Turkse ministerie van Justitie zoals in het verleden wel is voorgekomen”.

Deze brief is door het openbaar ministerie niet ingebracht in de strafprocedure tegen Baybaşin. Er werd in zijn zaak voor gekozen om de rechter over deze directe berisping van het College over het informele karakter van de in verleden plaatsgevonden politionele en justitiële samenwerking met Turkije (van o.a. genoemde taptolk) onwetend te houden en de rechter slechts te informeren over de zogenaamde ‘formele’ contacten met Turkije in de zaak.


Was het de minister bekend dat de rechter in de zaak Baybaşin onwetend is gehouden over de onacceptabele informele contacten van de Nederlandse politie en tolken met de Turkse autoriteiten indertijd? Waarom is dit verzuim in de loop van de daarop volgende 20 jaar van Baybaşin‘s detentie nooit hersteld? En waarom is er tot op heden geen onderzoek gedaan naar de inhoud van deze verzwegen informele contacten tussen Nederland en Turkije in de zaak Baybaşin?


Vraag 14:

In 1995 was zoals ook de brief van de voorzitter van het College van procureurs-generaal, mr. Ficq aangaf, democratie en rechtsbescherming in Turkije onvoldoende verankerd. Indien vragen tot coöperatie afkomstig zijn van de autoriteiten van een ander land, waar de rechtstaat onder druk staat, welke actieve procedures volgt Nederland dan om schendingen van de in het EVRM vastgelegde mensenrechten te voorkomen?


Vraag 15:

De hiervoor bedoelde taptolk heeft in het herzieningsonderzoek van Baybasin erkend een centrale rol te hebben gespeeld in de zaak Baybasin en meer in het algemeen in de contacten tussen het Nederlandse opsporingsteam en de Turkse politie en Turkse justitiële autoriteiten. De tolk weigerde echter hierover openlijk te verklaren vanwege tijdens de opsporingsactiviteiten plaatsgevonden onregelmatigheden met mogelijke strafrechtelijke consequenties. Hij deed daarom tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris een beroep op zijn verschoningsrecht. Volgens zijn advocaat betroffen “de strafbare feiten waarvan [de tolk] verdacht zou kunnen worden, ook valsheid in geschrifte en oplichting.” “[Hij] zal zwijgen over alles wat te maken heeft met de aard, plaats en inhoud van zijn werkzaamheden in de periode tussen 1987 en 2006”, zo liet de advocaat tijdens het verhoor weten Dezelfde advocaat schreef op 4 april 2014 aan de voorzitter van het College procureurs-generaal, mr. H.J. Bolhaar en het hoofd van de Nationale Politie, mr. G. Bouman, dat als de tolk zou gaan verklaren, het ‘bepaald niet uitgesloten was dat zijn verklaringen vergaande consequenties zouden hebben.


Waarom is er geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar deze in 2013 door deze tolk in het bijzijn van zijn advocaat afgelegde serieuze bekentenis over de in de samenwerking met Turkije plaatsgevonden strafbare feiten?


HERZIENING

Vraag 16:

Door Nederland zijn meerdere rechtshulpverzoeken aan Turkije gedaan. Velen daarvan blijven onbeantwoord. Welke maatregelen neemt Nederland om de naleving van deze overeenkomst te borgen? En welke sanctiemogelijkheden bestaan er bij een weigerachtigheid tot coöperatie?

De Nederlandse rechter commissaris is door Turkije herhaaldelijk geschoffeerd door deze weigerachtige opstelling. Welke diplomatieke consequenties zijn hieraan verbonden geweest?


Vraag 17:

Baybaşin’s veroordeling tot levenslang in 2002 is volgens het veroordelend arrest voor meer dan 90% op afgeluisterde telefoongesprekken gebaseerd, vertaald en samengevat door taptolken zoals hiervoor vermeld. De banden met gesprekken laten volgens vele deskundigen onverklaarbare onregelmatigheden zien (horen). Deelnemers aan de gesprekken waaronder Baybaşin spreken allen over gemanipuleerde weergaven van de originele gesprekken.

Naar de informatiebeveiliging van de tapkamers waarmee het grootste gedeelte van de gesprekken in de zaak werd afgeluisterd, is in 2003 in opdracht van de ministers van Binnenlandse zaken en Justitie onderzoek gedaan door het prestigieuze PricewaterhouseCoopers. Een persbericht van 8 december 2003 van beide ministeries vermeldt dat bij alle van de onderzochte interceptie-organisaties hiaten waren aangetroffen in het beheer en de technische beveiliging van het interceptie-systeem, met reële risico’s van manipulatie van geïntercepteerde (meta)informatie door onbevoegden. Het eindrapport laat zien dat de conclusies waren gebaseerd op eigen onderzoek van de forensische afdeling van PricewaterhouseCoopers in de toen nog functionerende digitale tapkamers. De ministers kondigden op basis ervan fundamentele verbeteringen aan van het Nederlandse tapkamersysteem. De conclusies van het onderzoek van PricewaterhouseCoopers zijn in het recente herzieningsonderzoek in de zaak van Baybaşin door andere deskundigen en documentatie van de leverancier van de tapkamers bevestigd.

Is het u bekend dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in zijn Conclusie in de herzieningsprocedure in de zaak Baybaşin de onderzoeksresultaten uit 2003 van PricewaterhouseCoopers van tafel veegt met de opmerking dat het hier slechts conclusies betreft van een groepje accountants dat weinig heeft begrepen van de toen functionerende Comverse Kislev 2-tapkamers?

Bent u het met deze conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad eens? Zo ja, impliceert dit dat in 2003 onnodige diepgaande veranderingen zijn doorgevoerd in de Nederlandse tapkamers en de regelgeving voor het tappen?

Is de Tweede kamer daar indertijd onjuist over voorgelicht door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie? Zo nee, wat is uw reactie op deze conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad over de in 2003 gebruikte tapkamers?


Vraag 18:

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft zich in genoemde Conclusie in de herzieningsprocedure in de zaak Baybaşin bij uitsluiting gebaseerd op een ingeschakelde, terzake niet gekwalificeerde deskundige, B. van den Heuvel.

Welk toezicht, garanties en bezwaarmogelijkheden bestaan er voor het register gerechtsdeskundigen? En zijn die in dit geval toegepast?


Vraag 19:

Is het u bekend dat het technisch adviesbureau van deze deskundige, genaamd MSNP (Mid Summer Night Party) zichzelf indertijd op haar website klantvriendelijk aanprees met de woorden: “Een systematische en wetenschappelijke benadering van en voor de problemen in de praktijk, maar gelijktijdig ook bewust een commercieel adviesbureau want als de klant er voor moet betalen moet zij met de resultaten ook wat kunnen. Hoe wij tot de resultaten komen is dan iets minder van belang.”?

Is het u bekend dat twee gezaghebbende onderzoeksinstituten, het NFI en de Onderzoeksraad voor Veiligheid eerder ernstige kritiek hadden uitgeoefend op de door onderzoeksbureau MSNP (Mid Summer Night Party) in eerdere onderzoeken gevolgde werkwijze en gehanteerde onderzoeksmethoden?


Vraag 20:

Hoeveel heeft de deskundige B. van den Heuvel en zijn onderzoeksbureau MSNP betaald gekregen voor zijn onderzoekswerkzaamheden in het herzieningsonderzoek in de zaak Baybasin en door welke organisatie is dat gefinancierd?


Vraag 21:

Via een klokkenluidster van het WODC is gebleken dat het ministerie van Justitie en veiligheid invloed uitoefent op wetenschappelijke rapportages. Bij de vigerende onderzoeker Bas van den Heuvel van MSNP blijkt er een positieve correlatie te bestaan tussen het voor de overheid gunstige rapport in aansprakelijkheidszaken (waaronder de Enschedese vuurwerkramp) en de financiering van Van den Heuvel.

Hoe is de financiering van dit soort onderzoeken meer in het algemeen geregeld en welke externe controle wordt daarop toegepast?


VERZOEKT HET VOORGAANDE IN AANMERKING NEMEND:

  • Maatregelen te treffen die een effectieve en humane toepassing van de in het EVRM en internationale verdragen neergelegde  mensenrechten garandeert.
  • Een parlementair onderzoek te laten uitvoeren naar de wijze waarop Hüseyin Baybaşin in Nederland in rechte is betrokken en de wijze waarop het onderhavige recht wordt toegepast.
  • Het belang van de onafhankelijkheid van de rechtspraak (en andere instituten) binnen onze democratie te erkennen, de      procedures tot aanstellingen aan te scherpen en, met instandhouding van het principe van machtenscheiding, de democratische controle op het functioneren van de rechtelijke macht te verbeteren.

(Alle informatie terzake is te vinden op de website: https://www.bs-foundation.nl en de website: https://www.restorejustice.nl




Waar gaat het nu precies om (in het kort):


Een advocaat van een tot levenslang veroordeelde in Nederland heeft om herziening van het vonnis (van het Gerechtshof) gevraagd bij de Hoge Raad.

Met het advies aan de Hoge Raad met betrekking tot eventuele herziening is advocaat-generaal Mr. Diederik Aben belast.

In het herzieningsverzoek staat dat er fouten zijn gemaakt bij de beoordeling van de zaak: de betreffende man, Baybasin genaamd, is veroordeeld op basis van opgenomen telefoongesprekken, zogenaamde taps. Daarbij speelt ook de vertaling van de in het Engels en Koerdisch gevoerde telefoongesprekken een belangrijke rol. Baybasin zou, aldus het openbaar ministerie (OM), 2 maal telefonisch opdracht gegeven hebben aan handlangers om iemand te vermoorden en hij zou per telefoon leiding hebben gegeven aan een grote heroïne-deal. Aanleiding voor het OM te beweren dat Baybasin de leider is van een criminele organisatie en delicten pleegden die zijn weerga niet kennen. De strafeis “levenslang” werd door het Hof in Den Bosch bevestigd en resulteert in een reeds 19 jaar durende detentie.

De verdediging voert aan dat er met de telefoontaps is geknoeid en dat dit ook mogelijk was. Voorts dat de vertalingen uit het Engels en het Koerdisch door rechtbanktolken niet overstemmen met de werkelijke uitgesproken tekst. De verdediging voert tal van feiten aan die de tot het vonnis leidende argumenten van het OM in twijfel trekken.

Baybasin, een zakenman onder andere handelde in auto’s, sprak overigens nooit letterlijk over “vermoorden”, maar sprak volgens het Openbaar Ministerie in codetaal, bijvoorbeeld wanneer hij opdracht gaf om “een auto te verkopen of te kopen”: daarmee zou hij hebben bedoeld: “vermoorden”.

Advocaat-generaal Diederik Aben dook zes jaar (!) in de zaak en kwam onlangs met een 1730 pagina's groot rapport waaruit moest blijken dat Baybasin toch schuldig was.

Ton Derksen de man van die meerdere gerechtelijke dwalingen een het licht bracht (o.a. Lucia de B. en de Puttense Moordzaak) las dat rapport en kwam tot de verbijsterende conclusie dat die advocaat-generaal niet kan redeneren of welbewust verkeerd redeneert. Zo zou Baybasin een keer gezegd hebben: “make him call”, hetgeen abusievelijk vertaald werd met “maak hem koud”. Dat dit een fout is, erkent Aben, maar volgens hem wordt er toch bedoeld 'een bezoekje brengen om hem te liquideren'. Drie keer een niet-letterlijke interpretatie, stelt Derksen vast. Derksen toont aan dat Aben zijn eigen waarheid maakt door expres fout te interpreteren, zaken weg te laten of te manipuleren. Het zal allemaal in het binnenkort te verschijnen nieuwe boek van Derksen staan.

In dit boek fileert Derksen de argumentatie van de Advocaat-Generaal. Derksen stelt vast dat de advocaat-generaal 'zeven immuniserende strategieën' gebruikt. 
Derksen: 'Dat betekent dat je je argument zo structureert dat je gelijk gegarandeerd is. Denk aan de weerman die zegt: morgen regent het of morgen regent het niet. Onafhankelijk van het weer weet hij dat hij gelijk gaat krijgen.'

Zo bevestigt Aben de eerdere aanname van het OM dat Baybasin bijna altijd 'in code' praat. Inderdaad spreekt hij soms over 'een plaats in het midden van het land'. 'Maar dat is geen reden om te zeggen dat hij met een vreedzame discussie wel eens een moord zou kunnen bedoelen, indien er verder geen enkele aanwijzing voor die moord is, en zeker wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat het niet over een moord gaat,' schrijft Derksen.

Wanneer een cruciale interpretatie van de Koerdische taal aan orde komt, diskwalificeert Aben de conclusie van een internationaal gerenommeerd en van geboorte Koerdisch dialect sprekende hoogleraar Koerdische taal, die door verdediging wordt geraadpleegd. Hij stelt diens mening tegenover die van enkele door hem geraadpleegde tolken over een essentieel stukje tekst. Aben past de redenering toe dat een getalsmatige meerderheid (van 3) rechtbanktolken, waarvan sommige het Koerdisch dialect niet machtig zijn, opweegt tegen de mening van een internationaal erkende expert. Ook andere geraadpleegde experts, die ontlastende bewijzen aanvoeren worden gediskwalificeerd. Als deskundigen, zoals een oud tapkamermedewerker, een fabrikant van de tapkamerapparatuur en de forensische afdeling van PWC (PriceWaterhouseCoopers) beweren dat er sprake kan zijn of sprake was van manipulatie van de taps, worden deze door Aben valselijk onderuit gehaald.

Drie gevangenisdirecteuren, die belast zijn geweest met de detentie-uitvoering van Baybasin, zijn door de argumenten van Derksen overtuigd geraakt en van mening dat diens zaak dient te worden herzien. Zij hebben onlangs op de stoep van de Tweede Kamer en van De Hoge Raad gedemonstreerd voor een herziening.

Hun optreden was opmerkelijk: niet eerder hebben ambtenaren van dit niveau afstand genomen van hun vroegere werkgever Justitie. Zij vinden het zorgelijk dat door deze casus de kwaliteit van de rechtspraak onder druk is komen te staan.

 
 

STAY CONNECTED